De advocatuur is van oudsher een behoorlijk op prestatiegerichte wereld. Masculiene eigenschappen domineren ten opzichte van feminiene eigenschappen. Taakgericht domineert ten opzichte van mensgericht.
Wat ik bij vrouwelijke advocaten regelmatig zie gebeuren, is dat zij zich aanpassen aan de masculiene werkomgeving. Ze zijn geneigd vooral de masculiniteit in zichzelf aan te spreken en te laten zien. Ze conformeren zich aan de masculiene cultuur. De feminiene kant krijgt daardoor steeds minder ruimte. Beetje bij beetje verliezen ze hun kleur.
Dit is zonde voor de vrouwelijke advocaat, omdat zij een stuk van zichzelf niet inzet. Een stuk waar zij misschien wel het krachtigst in is. Een stuk wat zij niet voor niets in zich heeft.
Maar het is ook zonde voor de advocatuur. Ik geloof er namelijk in dat als masculien en feminien, taakgericht en mensgericht in balans is, dit de advocatuur ten goede komt. Door in een omgeving te werken waarin masculiene waarden overheersen, bestaat namelijk het gevaar dat er te veel korte termijn handelen is en te weinig menselijke maat. Dat is in de wereld van nu, waarin de behoefte aan lange termijn handelen en de menselijke maat steeds groter wordt, niet goed voor de beroepsgroep.
Overigens is het een grote misvatting dat feminiene eigenschappen voorbehouden zijn aan vrouwen. Zowel mannen als vrouwen beschikken over feminiene en masculiene eigenschappen. Dus mannelijke advocaten kunnen ook een verschil maken door de feminiene eigenschappen in zichzelf te tonen.
En dit vraagt moed, zowel van mannen als van vrouwen. Moed om te staan voor wie je bent en ook de feminiene eigenschappen te laten zien. Moed om het verschil te maken. En dat is zo nu en dan lastig weet ik uit ervaring en stuit ook op weerstand. Maar toch geloof ik dat het belangrijk is dat we in de advocatuur deze beweging maken. Een beweging die belangrijk is voor de individuele advocaat en voor de beroepsgroep